De familienamen zijn erfelijk geworden bijnamen. Deze laatste werden gegeven op grond van de afkomst, het beroep, bepaalde fysische of psychische eigenschappen. Bijvoorbeeld Karel Jansseune, is Karel de zoon van Jan, of tot het beroep, De Backer, De Vleeschhouwer, De Smedt, Timmerman.
Nu kwam het ook niet zelden voor dat men het beroep niet rechtstreeks aanduidde, maar langs een voorwerp om dat er betrekking mee had. Aldus treft men voor houtbewerkers aan
Plancke, Spaen, De Splenter. Ook de naam Strubbe of de variant Strobbe behoort misschien tot die groep.
Het kan ook een psychische gedwongen lichaamsbouw of psychische (koppigheid) eigenschap aangeduid hebben.
In het modern Nederlands wordt het woord “Strubbe” niet meer gebruikt, men kan wel strubbelingen hebben, doch het was algemeen in gebruikt in het Middelnederlands. Terwijl het nog voortleeft in bepaalde dialecten ( Groningen, Drente). Ook in het West Vlaams was het lang gangbaar. Het betekende: boomstronk of heester die bij het kappen is blijven staan.
Strubbe zou dan wijzen op iemand die zich met houthakken, bosontginning bezighield.
Die uitleg komt nog aannemelijker voor als we denken die in vroegere jaren grote gebieden van ons land bebost waren en het hout in die tijd een veel grotere economische waarde had dan dit nu het geval is. Volgens legende of horen zeggen waren de Strubbe’s kort, geblokte mensen.
We kunnen hier nog aan toe voegen dat we hetzelfde woord ook nog in het Fries aantreffen. Het betekent daar: kleine guit, snaakse jongen. “In strob fen in man” is eigenlijk een struik of stronk van een man is een kleine man. Zo ook Strobben fen bern is kleine ondeugende kinderen.
Wat er over weze, we treffen de eerste strubbe’s in het derde kwartaal van de 15de eeuw vooral in de omstreken van Snellegem, Aartrijke, Loppem, Ruddervoorde.